Naar de inhoud
De Bijbel
NL
Steun het project

Gebed

Gebeden uit de Bijbel

Het Onzevader, Psalmen en andere gebeden uit de Bijbel, om te bidden met haar eigen woorden.

Onzevader

9Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. 10Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. 11Geef ons heden ons dagelijks brood. 12En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. 13En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.

Mattheüs 6:9-13

De Heer is mijn herder

1Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. 2Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren. 3Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil. 4Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. 5Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. 6Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.

Psalmen 23:1-6

Een zuiver hart

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan. Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden. 2Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. 3Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. 4Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten. 5Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. 6Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend. 7Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. 8Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt. 9Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden. 10Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest. 11Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij. 12Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.

Psalmen 51:1-12

Mijn hulp komt van de Heer

1Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. 2Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft. 3Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren. 4Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen. 5De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand. 6De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts. 7De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren. 8De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.

Psalmen 121:1-8

U kent mij

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij. 2Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten. 3Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend. 4Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, Heere! Gij weet het alles. 5Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij. 6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij. 7Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht? 8Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar. 9Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee; 10Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden. 11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij. 12Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.

Psalmen 139:1-12

Loof de Heer, mijn ziel

1Een psalm van David. Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam. 2Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden; 3Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest; 4Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden; 5Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.

Psalmen 103:1-5

In de schaduw van de Allerhoogste

1Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. 2Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw! 3Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie. 4Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar. 5Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt; 6Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.

Psalmen 91:1-6

Mijn ziel dorst naar U

1Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda. O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. 2Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer; 3Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen. 4Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.

Psalmen 63:1-4

De zegen van Aäron

24De HEERE zegene u, en behoede u! 25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig! 26De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!

Numeri 6:24-26

Het lied van Hanna

1Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart springt van vreugde op in den HEERE; mijn hoorn is verhoogd in den HEERE; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil. 2Er is niemand heilig, gelijk de HEERE; want er is niemand dan Gij, en er is geen rotssteen, gelijk onze God! 3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan. 4De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord. 5Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden. 6De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen. 7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. 8Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beerven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet. 9Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht. 10Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen.

1 Samuël 2:1-10

Het lied van Maria

46En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere; 47En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker; 48Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten. 49Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam. 50En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen. 51Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten. 52Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd. 53Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden. 54Hij heeft Israel, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid. 55(Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid.

Lukas 1:46-55

Salomo vraagt om wijsheid

6En Salomo zeide: Gij hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid des harten met U; en Gij hebt hem deze grote weldadigheid gehouden, dat Gij hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, als te dezen dage. 7Nu dan, HEERE, mijn God! Gij hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan. 8En Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat Gij verkoren hebt, een groot volk, hetwelk niet kan geteld noch gerekend worden, vanwege de menigte. 9Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten?

1 Koningen 3:6-9

David looft God

10Daarom loofde David den HEERE voor de ogen der ganse gemeente; en David zeide: Geloofd zijt Gij, HEERE, God van onzen vader Israel, van eeuwigheid tot in eeuwigheid! 11Uw, o HEERE, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in den hemel en op aarde is, is Uw: Uw, o HEERE, is het Koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles. 12En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken. 13Nu dan, onze God, wij danken U, en loven den Naam Uwer heerlijkheid.

1 Kronieken 29:10-13

Al bloeit de vijgenboom niet

17Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal; 18Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils. 19De Heere HEERE is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor den opperzangmeester op mijn Neginoth.

Habakuk 3:17-19

Jezus in Getsemane

39En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan! doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.

Mattheüs 26:39

Jezus bidt voor ons

20En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen. 21Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. 22En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij een zijn, gelijk als Wij Een zijn; 23Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in een, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.

Johannes 17:20-23

De liefde van Christus kennen

14Om deze oorzaak buig ik mijn knieen tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus, 15Uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, 16Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens; 17Opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; 18Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, 19En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods. 20Hem nu, Die machtig is meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt, 21Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de Gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen.

Efeziërs 3:14-21

Dat de liefde overvloedig wordt

9En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen; 10Opdat gij beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat gij oprecht zijt, en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus; 11Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God.

Filippenzen 1:9-11

Vervuld van wijsheid

9Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; 10Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God; 11Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap; 12Dankende den Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht;

Kolossenzen 1:9-12

Eer aan God

24Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde, 25Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.

Judas 1:24-25