Naar de inhoud
De Bijbel
NL
Steun het project
Foto: Sterrensporen boven de vuurtoren van La Hague · Heelal

Psalmen 36

Sterrensporen boven de vuurtoren van La Hague · Heelal · Foto: Antoine Lamielle · CC BY-SA 4.0

1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester. De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.

2Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

3De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.

4Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.

5O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.

6Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.

7Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.

8Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.

9Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.

10Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

11De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven.

12Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.

    Kruisverwijzingen van OpenBible.info (CC BY 4.0).