Naar de inhoud
De Bijbel
NL
Steun het project
Foto: Pico Duarte · Dominicaanse Republiek

Psalmen 60

Pico Duarte · Dominicaanse Republiek · Foto: Adrian Michael · CC BY-SA 3.0

1Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth; Als hij gevochten had met de Syriers van Mesopotamie, en met de Syriers van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend. O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.

2Gij hebt het land geschud, Gij hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt.

3Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.

4Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Sela.

5Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.

6God heeft gesproken in Zijn heiligdom; dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.

7Gilead is mijn, en Manasse is mijn, en Efraim is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.

8Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!

9Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

10Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?

11Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want 's mensen heil is ijdelheid.

12In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden.

    Kruisverwijzingen van OpenBible.info (CC BY 4.0).